Michiel van de Kasteelen / 25-10-2020

Slot Loevestein was het decor van de opening van de VN75-week. Een goed moment om terug te keren naar de ‘roots’ van het Internationaal Recht: Hugo de Groot, schrijver van een aantal belangrijke documenten, waaraan nog steeds grote waarde wordt toegekend, en die tot op vandaag onderwerp zijn van fors debat. Probleem is natuurlijk dat de auteur niet meer beschikbaar is om aan het debat deel te nemen, zodat we het moeten doen met interpretaties en oordelen ver buiten de tijd en de context waarin de werken geschreven zijn.

Internationaal-juristen, zoals ik, zouden het liefst de werken van Hugo de Groot omarmen als de basis voor een humaan internationaal recht, gericht op vrede en tegen oorlog, gericht op internationale samenwerking en tegen het navolgen van individuele staatsbelangen. Ik zou me overigens in goed gezelschap bevinden, want in bepaalde kringen binnen het internationaal recht geldt Grotius als een icoon. Iemand als Hersch Lauterpacht, de grote internationaal rechtsgeleerde uit de vorige eeuw, vat in zijn essay ‘The Grotian tradition in International Law’ uit 1946 het hoofdwerk van Grotius over het Recht van Oorlog en Vrede samen in de volgende karakteristieken: “The subjection of the totality of international relations to the rule of law; the acceptance of the law of nature as an independent source of international law; the affirmation of the social nature of man as the basis of the law of nature; the recognition of the essential identity of states and individuals; the rejection of the ‘Reason of State’; the distinction between just and unjust war; the doctrine of qualified neutrality; the binding force of promises; the fundamental rights and freedoms of the individual; the idea of peace; and the tradition of idealism and progress.” En daarmee zet Lauterpacht Grotius diametraal tegenover lieden als Machiavelli en Hobbes met hun duistere opvattingen over de mens ‘als egoïstisch en antisociaal, en niet in staat te leren van ervaring’.

Aan de andere kant staat iemand als de Groningse polemoloog B.V.A. Röling, die het gedachtegoed van Hugo de Groot kenmerkt als ‘hypocriet’, gericht als het was op ‘het instandhouden van de arrogantie van de macht, namelijk de macht, die Europa uit zou oefenen over de rest van de wereld’.

Maar het beeld van het werk van Hugo de Groot is ambivalenter dan deze beide uitersten. En dat geldt ook zijn persoon.

Om met het laatste te beginnen. Hugo de Groot komt in de beschrijvingen die er over hem zijn naar voren als een vroegrijpe, zeer begaafde jongeman, die al tussen zijn 11e en zijn 16e levensjaar aan de Leidse universiteit studeerde en daar uitblonk in verschillende vakgebieden, meerdere talen sprak, en zich onder andere toelegde op de dichtkunst. Tegelijkertijd is hij pedant, in zeker mate zelfingenomen, hetgeen hij verbergt achter een wat doorzichtige bescheidenheid. Hij is van gegoede komaf, stamt uit een Delfts regentengeslacht, met alle zeer behulpzame connecties van dien. Maar zijn familie kent ook tegenslag en moeilijke perioden. Hij is iemand die altijd het oog heeft gehouden op zijn loopbaan, en daartoe ook op het goede moment de goede connecties aanboort. Maar tegelijkertijd is het hem niet allereerst om welstand en vermogen te doen, maar vooral om aanzien en invloed. En daarbij stelt hij zich in zijn rechtsgeleerde werk en in zijn leven in het algemeen in dienst van datgene wat hem verder helpt, maar tegelijk zijn er conflicten die hij – als hij ergens voor staat – zeer beslist niet uit de weg gaat, hetgeen hem ook vaak in problemen bracht.

Zijn eerste traktaat ‘De iure praedae’ (Over ‘het recht op buit’), geschreven rond 1604, is daarvan een goed voorbeeld. Grotius was op dat moment advocaat in Den Haag, een beroep dat hij eigenlijk beneden zijn stand vond. In 1603 werd door Jacob van Heemskerck in de Straat van Malakka een Portugees schip buit gemaakt, hetgeen een forse som geld opleverde. De juridische vraag was of die ‘inbeslagneming’ rechtmatig was. Grotius – werkend in opdracht van de VOC – wil aantonen dat dat zo is en baseert dat op twee pijlers. Ten eerste: de zee is vrij en van iedereen, en daarvan afgeleid is de handel over zee dus vrij. En ten tweede: ook de ‘inlanders’ in de Oost waren als volwaardige rechtspersonen vrij om handel te drijven met wie ze maar wilden. De Portugezen ontzegden de VOC dat recht en daarom was het rechtmatig om hen te bestrijden en hun goederen buit te maken. Kijkend naar zo’n traktaat vanuit het perspectief van Roling is het inderdaad een onmiskenbare verdediging van het VOC-denken. Maar dieper kijkend naar de onderliggende argumenten, kan je het begin zien van een interessante ontwikkeling in internationaalrechtelijk denken. Het hoofdstuk over ‘de vrije zee’ heeft Grotius later als zelfstandig werk uitgebracht. En ook de vraag wanneer oorlog gerechtvaardigd is, is een van de hoofdlijnen in zijn werk geworden.

Hugo de Groot raakte verstrikt in de politieke en religieuze verwikkelingen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In het religieuze conflict tussen remonstranten en contraremonstranten probeerde hij als ‘politicus’ geen partij te kiezen, maar zijn keuze voor tolerantie en ‘vrijdenken’ bracht hem steeds verder in de remonstrantse hoek. En daarmee bracht het hem in het kamp van Johan van Oldenbarnevelt, de raadspensionaris, die het opname tegen de ambities van Prins Maurits. Dat bracht hem uiteindelijk als gevangene in Slot Loevestein, en bij zijn legendarische ontsnapping in de boekenkist, waarna hij zijn carrière kon voortzetten in dienst van andere mogendheden dan de Republiek.

Dit is deel 1 van een blog-drieluik over Hugo de Groot en zijn gedachtegoed. Voor wie zich verder wil verdiepen in het leven en denken van Hugo de Groot, is er de biografie van Henk Nellen “Hugo de Groot, een leven in strijd om de vrede; 1583-1645” (Uitgeverij Balans; 2007). En voor wie de sfeer wil proeven, blijft een bezoek aan Slot Loevestein een aanrader.