Auteurs: Chris Hellinga & Peter Luscuere
Dossier: De opmars van waterstof
Gasthoofdredacteur: Ad van Wijk

De wereldwijde energietransitie vraagt om waterstof

Het valt niet mee om je voor te stellen wat er allemaal moet veranderen om tot een CO2-vrije samenleving te komen. Dankzij goedkope olie, gas en steenkool hebben we een welvaartsstijging meegemaakt die z’n weerga niet kent in de menselijke geschiedenis. En nu moeten we van die fossiele energiebronnen af. Wereldwijd. Wind- en zonne-energie zijn gelukkig met een stevige opmars bezig, maar daarmee wordt elektriciteit geproduceerd. In Nederland momenteel 15% van onze finale energievraag. Dat zal meer worden, maar ook in de verdere toekomst zullen we in aanvulling daarop nog heel veel brand- en grondstoffen nodig hebben. Voor het zware, lange afstandsvervoer, voor de industrie, en om energie over de wereld te kunnen vervoeren en op te slaan. En waterstof is bij uitstek de energiedrager om een hoofdrol te spelen bij de transitie naar een duurzame energievoorziening.  

De belangstelling voor waterstof is al oud, maar dankzij de scherpe daling van de duurzame energieprijzen waarmee goedkoop waterstof kan worden geproduceerd, begint waterstof nu een hoofdrol op te eisen in het denken over onze energietoekomst. Samen met elektriciteit geeft het de opening om op wereldwijde schaal voldoende energie te leveren voor de plaatsen en op de momenten waar en wanneer de energie nodig is. 

En dat geeft extra kansen voor de gebouwde omgeving

Het is tegen die achtergrond dat we ons opnieuw moeten gaan bezinnen over hoe we onze gebouwen duurzaam gaan verwarmen. Duurzaam verwarmen betekent geen inzet van fossiele brandstoffen. Je hebt op hoofdlijnen drie alternatieven waarbij de mate van duurzaamheid nog kan verschillen: warmtelevering met warmtenetten, volledige elektrische verwarming met warmtepompen of het huis met een duurzaam gas verwarmen. Voor duurzaam gas zijn er twee opties: groengas (uit mest en andere vormen van biomassa) of waterstof.

Maar ook combinaties zijn interessant. Warmtenetten die duurzaam worden ingevoed met restwarmte uit de industrie en/of aardwarmte kunnen niet in de winterse piekvraag voorzien. Duurzaam gas en misschien warmtepompen zullen bij moeten springen op de koude dagen van het jaar. Hybride systemen zijn nu al te koop voor in onze huizen. Een warmtepomp gaat als eerste aan, maar als het nodig is kan een gasketel bijspringen. Dat voorkomt onhaalbaar dure ingrepen in de huizen. Ook vermindert dat de druk op de verzwaring van elektriciteitsnetwerken. Op het moment dat we onze huizen kunnen voorzien van duurzaam gas kan de CO2- emissies van zulke systemen naar ‘0’ worden teruggebracht. De cv-ketel moet dan groengas of waterstof gaan verbranden. De combinatie van een warmtepomp en een cv-ketel op gas is aanzienlijk energiezuiniger dan wanneer we alleen een cv-ketel op een duurzaam gas stoken. Nog energiezuiniger wordt het als we brandstofcellen in huis kunnen gaan plaatsen, die elektriciteit en warmte uit waterstof produceren. Maar daarvoor is het nodig om eerst de seriematige productie van brandstofcellen voor de automobielindustrie af te wachten, waarmee de prijzen zullen dalen.

En warmtepompen kunnen bijvoorbeeld weer gebruikmaken van de retourleidingen van warmtenetwerken, waardoor ze nog energiezuiniger worden. 

De maatschappelijke uitdaging: minimale ketenkosten

Er zijn meerdere opties, en we moeten de keuzes zodanig maken dat we zo betaalbaar en zo snel mogelijk van ons aardgas af kunnen komen. Huiseigenaren voelen de kosten van isolatie, vloerwarming, nieuwe technische installaties en de resulterende energierekening in hun portemonnee, maar het gaat ook om wat we met elkaar kwijt zijn aan de aanpassing van de energienetwerken – elektriciteit, warmte en/of gas. De ‘integrale ketenkosten’ zijn bepalend voor de richting die we moeten kiezen.

Nederland heeft 12.000 buurten, en buurten kunnen hun eigen voorkeursopties hebben. Sommige liggen dicht genoeg bij duurzame warmtebronnen, zodat een warmtenetwerk daar voor de hand ligt. En daar waar stadsverwarming al aanwezig is, kan de aanvoer verduurzaamd worden.

Nieuwbouwwijken kunnen standaard, kosteneffectief met warmtepompen worden uitgerust, omdat de huizen toch al goed geïsoleerd worden en vloerverwarming meteen kan worden aangelegd. Met een nieuwbouwvolume van 70.000 woningen per jaar kan tot 2030 ongeveer 10% van ons woningenbestand in ieder geval een warmtepomp krijgen.

Oude/historische stadskernen en dun bebouwde landelijke omgevingen zijn typisch gebieden waar warmtenetwerken en warmtepompen te kostbaar worden. Waterstof (of groengas) is hier een evidente invulling.

Studies voorzien een grote inzet van duurzaam gas 

Maar, voor het overgrote deel van de bebouwing is het lang nog niet zeker welke richting we het beste kunnen kiezen. Eerste studies zijn en worden nu uitgevoerd om een beter beeld te krijgen van de voorkeursopties per buurt. Een opvallende uitkomst van een studie van het onderzoeks- en adviesbureau CE Delft uit 2016 was dat groengas het overgrote deel van de energie kan gaan leveren[i] op een verondersteld productieprijsniveau van 75 €ct/m3, ongeveer viermaal de huidige aardgasprijs zonder belastingen (15-20 €ct/m3)[ii]. Zelfs tegen deze gasprijs geeft deze optie in veel gevallen lagere ketenkosten dan warmtenetten of volledig elektrische warmtepompen. Zoveel groengas zal evenwel niet beschikbaar zijn: de maximale hoeveelheid groengas die in Nederland voor de gebouwde omgeving op termijn beschikbaar kan komen, wordt wel geraamd op maximaal 1,5 miljard m3/jaar in 2030. De huidige aardgasvraag van gebouwen is 13 miljard m3/jaar.

Voor de berekening van de integrale ketenkosten, is het belangrijk dat van het bestaande aardgasnet gebruik kan worden gemaakt, dat 13 maal meer energie kan transporteren dan het huidige elektriciteitsnet. De kosten voor de grootschalige omschakeling van het gasnetwerk op waterstof (miljoenen woningen) wordt omgerekend geraamd op slechts 200 Euro per woning.[iii]

Indicaties voor de prijs van groene en/of blauwe[iv] waterstof in 2030 gaan momenteel in de richting van 2,5 €/kg, omgerekend zo’n 65 €ct/m3 aardgas – wat erop duidt dat eenzelfde conclusie ook voor waterstof zou kunnen gaan gelden.[v] Algemeen wordt verwacht dat de groene waterstofprijs tot 2050 significant verder zal gaan dalen, vanwege de dalende duurzame elektriciteitsproductieprijzen en de goedkoper wordende waterstofproductiesystemen (elektrolyzers). Het gerenommeerde Bloomberg New Energy Finance noemt als ondergrens voor een productieprijs in gunstige gebieden (veel wind en/of zon) zelfs 0,7 €/kg in 2050 (omgerekend: 0,18 €/m3 aardgas equivalent).[vi]    

Netbeheerders Stedin en Enduris hebben recent een uitgebreide studie laten uitvoeren met de drie toonaangevende modellen in Nederland en komen voor hun volledige verzorgingsgebied (1/4 van Nederland) vooralsnog tot een vergelijkbare conclusie. Als er ruim voldoende groengas en/of waterstof beschikbaar is, kan dat voor ongeveer 2/3 van de aansluitingen de beste optie zijn, waarbij voor waterstof ook met een prijs van 75 €ct/m3 aardgasequivalenten gerekend is (3 €/kg). Gemeentes kunnen op stedin.net/openingsbod voor hun wijken een advies vinden, dat in de komende jaren verder zal worden aangescherpt.

Maatregelen in het klimaatakkoord

Het Nederlandse klimaatakkoord, dat de nationale lijnen uitzet voor 49% CO2-emissiereductie in 2030 ten opzichte van 1990, ziet pas na 2030 een rol voor waterstof weggelegd voor de gebouwde omgeving. Tot die tijd dienen demonstratieprojecten de haalbaarheid te onderbouwen, in termen van technische aanpassingen, veiligheid, kosten en maatschappelijke acceptatie. 

Op dit moment wordt bijvoorbeeld aan demonstratieprojecten gewerkt voor gebouwverwarming met waterstof in Hoogeveen (80 nieuwbouwwoningen) en in Stad aan ‘t Haringvliet op Goeree- Overflakkee (600 bestaande woningen). Eerste cv-ketels op waterstof worden nu getest bij een flat in Rozenburg en meerdere fabrikanten zullen nog dit jaar met marktintroducties komen, ook van ‘H2 ready’ cv-ketels, die eerst op aardgas kunnen branden.

Als de verwachtingen worden waargemaakt, de wetgeving is aangepast, netbeheerders en installateurs ervaring hebben opgedaan, en last but not least bewoners het vertrouwen krijgen dat waterstof een goede, veilige en betaalbare optie is, kunnen we over enkele jaren goed beslagen ten ijs komen om grootschalige uitrol voor te bereiden.

Overigens lopen er ook ontwikkelingen om koken op waterstof mogelijk te maken. Een Zwitserse firma werkt bijvoorbeeld aan een nieuwe kookplaat, die verwarmd wordt door de katalytische verbranding van waterstof.[vii]

Het klimaatakkoord geeft voor de gebouwde omgeving als doelstelling 3,4 Mton/jaar CO2-reductie in 2030. Maatregelen uit het akkoord die door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op hun effecten zijn doorgerekend, zijn extra warmtenet-aansluitingen, en warmtepompen – all electric dan wel hybride (een warmtepomp in combinatie met een gasketel). In totaal zal het om de aanpak van ongeveer 2 miljoen woningen gaan (bestaande bouw en nieuwbouw). De invoeding van de bestaande en nieuwe warmtenetten moet daarbij verduurzamen, en warmtepompen zorgen in 2030 voor een nog beperkte CO2-emissie, omdat de elektriciteitssector geacht wordt 70% van de elektriciteitsopwekking verduurzaamd te hebben met zonne- en windenergie. De 3,4 Mton komt bovenop de emissiebesparing die al het gevolg is van vastgesteld en voorgenomen beleid, dat in de Nationale Energieverkenning 2017 wordt gekwantificeerd. In totaal komt het erop neer dat de warmtevraag in 2030 met 25% gedaald moet zijn (van 440 PJ in 2018 naar 333 PJ in 2030), en de CO2-emissies met ruim 35% (van 24,3 Mton in 2018 tot 15,3 Mton in 2030). Ruwweg wordt 1/3 van de CO2-emissiereductie tot 2030 gerealiseerd, en dient 2/3 nog te volgen tussen 2030 en 2050. Het daarbij behorende lange termijn beeld ontbreekt evenwel vooralsnog.

Groengas speelt in de PBL-analyses van het ontwerp klimaatakkoord nog geen rol. De groengassector heeft weliswaar aangegeven een productie van 70 PJ groengas te verwachten in 2030, wat een vervijfvoudiging zou vragen van de biogasproductie in 2018[viii], maar de route daarnaartoe is nog onhelder, en ook andere sectoren vragen om groengas/biomassa. Overigens lijkt het erop dat de productieprijzen van groengas en waterstof in 2030 (in €/MJ) elkaar niet veel zullen ontlopen (omgerekend 60-75 €ct/m3 aardgas equivalenten, excl. btw).

Het PBL concludeert dat de doelstelling van 3,4 Mton CO2-reductie per jaar technisch gesproken haalbaar is met de maatregelen die wél zijn beschouwd. Maar, veel zal afhangen van de organisatie, financieringsconstructies en prijsdalingen van maatregelen – zoals de prijs van hybride warmtepompen, die mogelijk in de tweede helft van de jaren twintig in de buurt komt te liggen van de nu gangbare cv-ketels[ix]. Hybride systemen worden dan in veel gevallen de meest competitieve optie en leveren een belangrijke bijdrage aan de transitie. Maar zonder een doorkijk naar voldoende aanbod van duurzaam gas wordt onzeker of deze systemen niet op termijn vervangen moeten gaan worden door all electric warmtepompen. Ongeveer de helft van de warmtevoorziening komt immers nog steeds uit aardgas bij hybride systemen. Het PBL rekent in haar kostendoorrekening van het ontwerp klimaatakkoord dan ook met ‘spijtvrije isolatiemaatregelen’. Ook bij hybride systemen wordt het gebouw zover geïsoleerd dat later de installatie van alleen een warmtepomp mogelijk wordt, wat uiteraard aanzienlijke meerkosten en inspanningen met zich meebrengt. 

Duurzaam gas: essentieel voor het langetermijnperspectief

Met een beter uitgewerkt lange termijnbeeld (2030-2050) kunnen de stappen tot 2030 uiteraard scherper gericht worden op de integrale transitie. En duurzaam gas (groengas of waterstof) kan daarbij een belangrijke, zo niet de hoofdrol gaan spelen.

Groengas moet als een overgangsmaatregel worden gezien, zoals bijvoorbeeld ook geconstateerd wordt in de Green Liaison Duurzame gassen.[x] Afhankelijk van hoe snel de productie op gang komt, en welk deel daarvan inzetbaar is voor de gebouwde omgeving, kan het eenvoudig aan het aardgasnetwerk worden toegevoegd. Maar het biedt geen goed langetermijnperspectief.

Het is onwaarschijnlijk dat de productieomvang toestaat dat een substantieel deel van de gebouwen in de toekomst hiermee bediend kan worden, maar een principiëler bezwaar is dat gas uit biomassa het C-atoom bevat dat als CO2 naar de atmosfeer gaat bij decentrale toepassing voor verwarming. Dat C-atoom vertegenwoordigt (economische) waarde in een duurzame samenleving zonder fossiele brandstoffen. Het blijft een belangrijke bouwsteen voor de chemische industrie, de glastuinbouwsector vraagt om CO2, en denk bijvoorbeeld aan de productie van emissievrije vloeibare brandstoffen – in ieder geval voor de luchtvaart. Maar ook kan vrijkomende CO2 ondergronds worden opgeslagen om netto CO2 aan de atmosfeer te onttrekken.

Om 70 PJ in 2030 te bereiken zal het nieuwe superkritische vergassingsproces een belangrijke bijdrage moeten gaan leveren, waarvoor een proeffabriek in Alkmaar draait. Vergassingsprocessen, die in de toekomst het grootste aandeel in groengasproductie moeten gaan krijgen[xi], produceren onder meer waterstof en CO2 en het ligt dus voor de hand het geproduceerde gas in een waterstof en een C-houdende stroom te scheiden en naar verschillende afnemers te leiden. Waterstof kan dan worden ingevoerd in een nationaal waterstofnetwerk, in aanvulling op blauwe en/of groene waterstof uit zonne- of windenergie.

De wereldwijde productiecapaciteit voor waterstof kent geen principiële beperkingen – wat bij biomassaverwerking wel het geval is (duurzaamheid, concurrentie met voedsel, enzovoort).

Waterstof centraal stellen als het duurzame gas van de toekomst – ook voor gebouwverwarming – en biomassa gericht inzetten voor toepassingen waar geen goede alternatieven voor zijn, is daarmee een logische gedachtegang.

Bij een beeld dat door onze straten een waterstof- en een elektriciteitsleiding lopen, ontstaat veel flexibiliteit voor gebouwaanpassingen. De eenvoudige vervanging van een cv-ketel op aardgas door een cv-ketel op waterstof vraagt geen additionele aanpassingen. Energiebesparingsmaatregelen kunnen gebouwspecifiek gericht worden op een goede terugverdientijd. Ze zijn niet nodig voor comfortbehoud en het beperken van de elektriciteitsvraag, zoals bij all electric warmtepompen. De energiezuiniger hybride systemen vragen ook niet om bijzondere gebouwaanpassingen. Als in de komende jaren hybride systemen met ‘H2-ready’ cv-ketels worden uitgevoerd, is het gebouw klaar voor omschakeling naar volledig CO2-neutraal.

Tot slot zijn brandstofcellen een grote belofte voor de verdere toekomst. In Japan zijn al meer dan 300.000 systemen in gebouwen geïnstalleerd[xii], en voor de massaproductie in de automobielindustrie worden nu de eerste fabrieken gebouwd. Massaproductie moet tot goed betaalbare systemen gaan leiden, ook voor stationaire toepassing. Een brandstofcel zet waterstof om in elektriciteit (mogelijk voor een warmtepomp), en warmte (voor tapwater- en/of ruimteverwarming). Nieuwe technologie maakt de omgekeerde route ook mogelijk. De elektriciteit van zonnepanelen kan in een ‘tweeweg brandstofcel’ in waterstof worden omgezet, die in het waterstofnetwerk wordt ingevoerd. Dat geeft minder druk op de noodzaak elektriciteitsnetwerken te versterken. Waterstofopslag kan centraal georganiseerd worden (in zoutkoepels[xiii]). En decentrale omzettingscapaciteit van waterstof in elektriciteit (waarbij de restwarmte bovendien nuttig gebruikt wordt) vermindert de behoefte aan centrale systemen die in tijden van te weinig duurzame elektriciteitsopwekking het net moeten voeden met uit (opgeslagen) waterstof geproduceerde elektriciteit. Ook wordt een piekvraag naar elektriciteit zo gedempt. De energie kan in de vorm van waterstof naar de huizen worden gebracht. 

Op naar 500.000 waterstofwoningen in 2030

Bron: https://www.gasunie.nl/nieuws/waterstof-coalitie-concrete-plannen-voor-een-vliegende-start-van-de-waterstofeconomie

Kort en goed: er is een veelheid aan redenen om waterstof een significante rol te geven in een structureel verduurzamingsperspectief voor de gebouwde omgeving tot 2050.

Recent kondigde de Gasunie aan om een 10-15 GW ‘waterstofbackbone’ in Nederland te ontwikkelen die de grote industriegebieden verbindt met productie- en opslaglocaties. Bestaande aardgastransportleidingen die overbodig raken, worden dan ingezet voor waterstoftransport, aangevuld met enkele nieuwe tracés en nieuwe compressoren. Een vergelijkbaar plan is in Duitsland in ontwikkeling voor een tracé van 5900 km. Door lokale distributienetten te koppelen aan het transportsysteem, zouden ook woonwijken op waterstof kunnen worden aangesloten – al in 2030.

Er is dan vermoedelijk capaciteit voor ruim 500.000 woningen, met een piekvraag van circa 3,3 GW[xiv] wanneer ze uitgerust zijn met cv-ketels op waterstof. Dit aantal woningen verdubbelt bij dezelfde gaspiekvraag, wanneer ze met hybride systemen worden uitgerust – dan zou je dus 1 miljoen woningen kunnen aansluiten. Dit vraagt een 19 PJ[xv] aan waterstof (160 kton), minder dan 10% van de verwachte industriële vraag in 2030.[xvi] Voor de groene productie daarvan is bijvoorbeeld 1,5 GW aan windvermogen op de Noordzee nodig.[xvii]

Het klimaatakkoord zet voor warmtenetten in op 40 PJ warmtelevering (met verduurzaamde invoer) in 2030, wat ongeveer een verdubbeling is van de huidige levering, en wat neerkomt op de extra aansluiting van zo’n 500.000 woningequivalenten.

Als we voor eenzelfde aantal aansluitingen op waterstof opteren:

  • Reduceren we de risico’s van de bestaande plannen uit het klimaatakkoord[xviii] om in 2030 tot 3,4 Mton CO2-emissiereductie te komen
  • Maken we woningen die met kosteneffectieve hybride systemen zouden worden uitgerust in de aan te sluiten gebieden vrijwel CO2-neutraal (zonder dat vergaande isolatie vereist is)
  • En leggen we een basis voor doorgroei naar miljoenen woningen op waterstof na 2030, in jaren dat de waterstofprijs aanzienlijk lager zal worden dan 75 €ct/m3 (omgerekend naar aardgas) – de gasprijs waar genoemde studies van concludeerden dat de ketenkosten in veel gevallen lager zijn dan die voor warmtepompen of warmtenetwerken. Bovendien verschuiven de benodigde inspanningen/werkzaamheden deels van het decentrale (woningaanpassingen voor warmtepompen) naar het centrale niveau (gasnet aanpassen, en waterstofproductie regelen) wat de transitieaanpak overzichtelijker en wellicht beter stuurbaar kan maken.

De gemeentes en de 30 Nederlandse regios zijn nu aan zet om het raamwerk uit het energieakkoord te vertalen naar concrete plannen in de Transitievisies Warmte en de Regionale Energiestrategiën. Een inzet op waterstof vraagt evenwel om planvorming ‘van bovenaf’. De overheid en marktpartijen zullen met een strategie moeten komen, die het voor lokale partijen mogelijk maakt om met vertrouwen ook in te kunnen zetten op de waterstofoptie.


[i] Ongeveer 75% van de finale vraag naar elektriciteit, restwarmte en duurzaam gas.

[ii] Naber, Nanda; Schepers, Benno; Schuurbiers, Marijke; Rooijers, Frans. Een klimaatneutrale warmtevoorziening voor de gebouwde omgeving – update 2016, CE Delft, 2016.

[iii] M. Weeda en R. Niessink, Waterstof als optie voor een klimaatneutrale warmtevoorziening in de bestaande bouw, TNO, 2020.

[iv] Groene waterstof wordt met behulp van wind- of zonne-energie gemaakt. Blauwe waterstof wordt uit aardgas geproduceerd, waarbij de vrijkomende CO2- tot 90% wordt afgevangen en ondergronds wordt opgeslagen. 

[v] Ten tijde van de studie was nog niet bekend dat het transport- en distributienet van aardgas geschikt is voor ombouw naar waterstoftransport.

[vi] Hydrogen: the economics of production from renewables, Bloomberg NEF, 2019.

[vii] https://www.empa.ch/web/self/hydrogen-cooker

[viii] Het CBS noemt voor 2018 een biogasproductie van 13,7 PJ waarvan slechts 10% (1,3 PJ) in de vorm van groengas (biogas opgewerkt naar aardgaskwaliteit) bijdraagt aan de finale energievraag.

[ix] Hoogervorst, Nico; Menkveld, Marijke en Tigchelaar, Casper, Achtergrondeffecten ontwerp klimaatakkoord: Gebouwde omgeving, PBL, april 2019.

[x] H. Warmenhoven en P. Van Soest, Green Liaisons Hernieuwbare gassen 2050, De Gemeynt, 2018.

[xi] https://www.empa.ch/web/self/hydrogen-cooker

[xii] http://www.pace-energy.eu/fuel-cell-micro-cogeneration-reaches-another-milestone-in-japan/

[xiii] Dilara Gulcin Caglayan, Nikolaus Weber, Heidi Heinrichs, Jochen Linßen, Martin Robinius, Peter A. Kukla, and
Detlef Stolten. 2019. Technical Potential of Salt Caverns for Hydrogen Storage in Europe (preprint). Forschungszentrum Juelich.

[xiv] In 2017 bedroeg de piekvraag naar aardgas 50 GW voor 7,7 miljoen woningen (M. Kellner, De snelste route naar aardgasvrije wijken, Smart Energy NL, 2018).

[xv] Op onderwaarde (120 MJ/kg) ter vervanging van 1200 m3 aardgas/woning. De warmtegift is ongeveer 100% op onderwaarde.

[xvi] De huidige industriële vraag wordt geraamd op 1200 kton/jaar (175 PJ) (Hydrogen – supply and demand: present to 2030. Update 2019, Gasunie, 2019). De extra vraag van de industrie in 2030 wordt in het klimaatakkoord op 50-153 PJ geraamd, wat een totaal geeft van 225-328 PJ/jaar.

[xvii] Bij 5000 vollasturen, en 80% elektrolyse rendement.

[xviii] https://www.empa.ch/web/self/hydrogen-cooker


Chris Hellinga (1956) is als procestechnoloog in 1982 afgestudeerd aan de WUR en is na diverse functies sinds 2006 werkzaam bij de TU Delft als wetenschappelijk adviseur van het Delft Energy Initiative. Hij heeft onder meer de basis gelegd voor de introductie van een aardwarmtebron op de TU Delft en richt zich momenteel op vraagstukken rond de rol van waterstof bij de energietransitie, waarvoor enkele publicaties op zijn naam staan. Hij is lid van de regiegroep H2GO, het programma om het eiland Goeree-Overflakkee te transformeren naar een waterstofeconomie.


Peter Luscuere (1955) is hoogleraar aan de TU Delft, sectie Building Physics&Systems en gasthoogleraar aan de Tianjin University, PR China. Peter heeft uitgebreide ervaring met het ontwerp van binnenmilieu, zowel in de industrie, de gezondheidszorg als de utiliteitsbouw. Peter is geïnspireerd door Cradle to Cradle® hetgeen heeft geleid tot de visie ‘Beyond Sustainability’ waarin het concept van ‘positive footprints’ wordt toegepast op alle natuurlijke hulpbronnen. Binnen de Roadmap Next Economy, een project met Jeremy Rifkin voor de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, was hij trekker van het transitiepad Circular Economy.