Joris Voorhoeve

De VN heeft als eerste taak de vrede te bewaren. Daar is zij helaas niet toe in staat omdat de lidstaten de VN daar niet toe machtigen. De VN heeft geen eigen strijdkrachten en kan haar besluiten meestal niet afdwingen. Alleen de lidstaten kunnen dat doen, maar zij zijn het daarover meestal oneens.  Wat de VN namens de leden plechtig belooft, wordt ook meestal niet nagekomen. Eén voorbeeld uit vele. De Nederlandse regering die in 1993/1994 troepen aan de VN beloofde voor vredeshandhaving in Bosnië, gaf zich geen rekening van de geringe betrouwbaarheid van de beloften en de zwakheid van de VN.

Er werden door het toenmalige kabinet-Lubbers-Kok geen voorwaarden gesteld aan beschikbaarstelling van Nederlandse militairen voor een erg zware taak. De bevolking van Srebrenica en de Nederlandse militairen die als Dutchbat waren uitgeleend aan de VN, waren daar in 1995 de dupe van. Zij stonden onder bevel van een Britse en Franse generaal en zowel zij als de VN-secretaris-generaal verzaakten hun plichten op het kritieke moment in 1995. De Britse commandant nam op het kritieke moment vakantie op en kwam pas terug toen de massaslachting een feit was. De Franse commandant die over de gehele vredesoperatie in Bosnië ging, deed pas iets toen het al veel te laat was en dumpte daarna het hele vraagstuk op Dutchbat zelf.[1]

De secretaris-generaal van de VN kwam de schriftelijk gedane belofte aan Dutchbat om voor tijdige luchtsteun te zorgen niet na en de leden van de Veiligheidsraad die deze belofte hadden ondersteund deden eveneens niets. Zij herinnerden zich de – een jaar eerder gedane – belofte niet eens en lieten de Servische aanvaller gewoon zijn gang gaan, aannemend dat er wel wat slachtoffers zouden vallen. Maar niet één hield rekening met een massamoord. Een massamoord die Dutchbat toen onmogelijk kon voorkomen.

Vergelijkbare gebreken, soms met gelukkig minder ernstige gevolgen, zijn eerder geconstateerd in andere vredesoperaties van de VN. Door oorzaken die vooral bij de lidstaten liggen, is de VN meestal te laat en doet het te weinig om vrede te handhaven, oorlogen te beëindigen en het uitbreken van nieuw geweld te voorkomen. De VN is ook geen bondgenootschap maar een overlegorganisatie die zelf meestal geen sterke militaire operaties kan ondernemen om agressoren tegen te houden. Dat zal nog lang zo blijven door de zwakke besluitvorming, die steeds door veto’s kan worden lamgelegd.

De tweede taak van de VN  is welzijn en welvaart van de lidstaten te bevorderen door sociaaleconomische ontwikkeling en bevordering van respect voor de rechten van de mens. Daar heeft de VN eveneens te beperkte middelen en bevoegdheden voor. De Duurzame Ontwikkelingsdoelen die bereikt moeten worden in 2030 zullen in veel lidstaten niet worden gehaald. De lidstaten en de VN organisaties die daar taken in hebben komen hun beloften aan de allerarmsten niet goed na. De fondsen die ervoor ter beschikking worden gesteld zijn veel te gering. De coronacrisis zet alles bovendien fors op achterstand. Ook op dit gebied is er een grote kloof tussen beloften en daden door de lidstaten. Zo heeft ook Nederland zijn internationale hulp voor deze doelstellingen al een aantal jaren geleden gehalveerd.  En dat terwijl de internationale hulpdoelstelling van 0,7 % van het nationaal inkomen van Nederlandse oorsprong is.

Ik ben met vaak met de grote kloof tussen woorden en daden geconfronteerd. Ik begon mijn werk in 1971 op het ministerie van Landbouw en Visserij als tijdelijk functionaris voor voedselhulp om een plan te maken voor effectiever en sneller optreden van de Wereldvoedselorganisatie. Het werd afgewezen. In 1973 ging ik werken voor de Wereldbankgroep en maakte voor de beleidsafdeling een studie van mogelijkheden om de VN-agentschappen beter gecoördineerd te laten optreden. Er werd in de Inter-Agency Raad vriendelijk naar mijn baas, Robert McNamara, geluisterd, maar er veranderde niets. Een volgende taak die ik kreeg was uit te zoeken hoeveel het zou kosten om de allerarmsten  van  de nodige basisbehoeften aan drinkwater, voedsel, onderwijs en eenvoudige gezondheidszorg te voorzien. De rapporten daarover, die aantoonden dat het best betaalbaar was, verdwenen in de laden.

Ik was in eerder, in 1965, aan de Wageningse landbouwuniversiteit gaan studeren en had voor  agrarische ontwikkelingssamenwerking gekozen omdat ik het vreemd vond dat veel landen hun eigen bevolking niet konden voeden. Het aantal hongerenden in de wereld stond toen op 300 miljoen mensen. Nu, eind  2020, is het ver boven de 800 miljoen. Alle technische vooruitgang en macro-economische groei heeft niet geholpen dat aantal te verminderen. Technisch en economisch kan dat zeker wel. Het ontbreekt niet aan middelen, maar aan goed beleid dat de politieke en economische positie van de allerzwaksten verbetert.
De economische en politieke stelsels van de lidstaten zijn helaas niet gericht op het scheppen van welzijn en welvaart voor de onderkant van hun samenlevingen. De armsten die geen gezond drinkwater, onvoldoende voedsel, weinig scholing en geen gezondheidszorg genieten zijn niet zo belangrijk in de ogen van de groeperingen die de macht hebben in politiek, economie en bestuur. Zo eenvoudig is het eigenlijk.  Met de mond wordt beleden dat mensen gelijke startkansen in het leven behoren te hebben, maar er wordt praktisch weinig geld en tijd aan besteed.

In 2019/2020 heb ik getracht alle studies door te nemen over de uitvoering van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen om tot een overzicht te komen van wat nodig is om in de vier meest dringende basisbehoeften van mensen te voorzien: schoon drinkwater plus sanitatie, voldoende voedsel, basisonderwijs en basisgezondheidszorg. De conclusie uit stapels rapporten is duidelijk. Deze basisbehoeften vragen investeringen en onderhoudskosten die in totaal maar 2 procent van het wereldinkomen zouden kosten. Die inspanning moet dan wel een jaar of 20 worden volgehouden. Dat is dus twee cent per euro die jaarlijks in de wereld wordt uitgegeven.
Niemand kan uitleggen dat dat een te zware last zou zijn. Toch gebeurt het niet. Natuurlijk gaat het niet in de eerste plaats om investeringsgeld, maar om goed beleid dat de positie van de allerarmsten structureel versterkt.[2] Zulk beleid is zeldzaam. Er worden veel woorden en rapporten aan gewijd maar de wereldeconomie dendert op de ingeslagen wegen voort. Dat geldt ook voor de mondiale milieuproblematiek.

Wat is nodig om de hier beschreven kloven tussen woorden en daden te dichten? Een sterkere VN kan alleen bestaan als de meerderheid van de regeringen van de lidstaten dat willen. Zet Nederland zich daarvoor in? Een beetje. Het leeft te weinig bij het merendeel van het electoraat, en veel politici zijn eigenlijk geen leiders maar volgers van het electoraat.

Het kan allemaal zoveel beter. Het parlement heeft helaas meestal een korte horizon en de leden richten zich op de volgende verkiezingen en de vraagstukken van de week. Het bedrijfsleven is niet zo met de allerarmsten bezig, maar gericht op snel renderende activiteiten en de aandelenmarkt. Wie zorgt er voor de lange termijn en voor de onderkant van de samenlevingen in de wereld? Dat moeten vooral de ngo’s en de wetenschappelijke adviesraden en onderzoekers doen, die regering, parlement en media kunnen voorhouden wat er geschiedt als lange termijn problemen erger worden en geen doeltreffende stappen worden gezet. Adviesraden kunnen schetsen welke beleidskeuzen er zijn.

Ik ben nu 75, even oud als de VN, heb de doeleinden van de VN vele jaren mogen dienen, en laat de hoop niet varen.


Joris Voorhoeve

Emeritus hoogleraar Internationale Organisaties, oud-minister van Defensie, voormalig voorzitter Raad van Toezicht Oxfam International, voormalig lid Raad van State en tot voor kort vicevoorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken.


[1] Zie het boek Veilige Gebieden, Atlas Contact, 2015.

[2] Fighting Poverty and Violence, dat in 2021 verschijnt bij Uitgeverij Boom.